|
|
Paardensoorten
|
|
Paardenkracht in vier versnellingen
Paarden kunnen zich op verschillende manieren en snelheden voortbewegen. Deze verschillende manieren worden gangen genoemd. De vier meest gebruikelijke gangen zijn, in volgorde van snelheid: stap, draf, galop en rengalop. Wordt ook wel een viertaktgang genoemd, omdat er vier hoefslagen bij te horen zijn.
Een ‘versnelling’ hoger spreken we van de draf. Dit is een diagonale gang: links-voor en rechts-achter, rechts-voor en links-achter worden tegelijk opgetild en neergezet. Hierbij zijn twee hoefslagen te horen. Het moment tussen de overgang van het ene paar diagonalen naar het andere paar diagonalen heet het 'zweefmoment': alle hoeven zijn dan van de grond.
De meest gebruikelijke snelle gang is galop, ook wel een een drietaktgang genoemd. In de rechtergalop zet het paard eerst linksachter neer, vervolgens rechtsachter en linksvoor tegelijk en eindigt met rechtsvoor neerzetten, terwijl ondertussen linksachter de bodem al weer verlaten heeft. Vervolgens tilt het paard ook de diagonaal 'rechtsachter linksvoor' op en heeft alleen rechtsvoor nog contact met de bodem. Daarna volgt het eerder genoemde zweefmoment.
In de linkergalop begint het paard met rechtsachter, vervolgens linksachter en rechtsvoor en eindigt met linksvoor. Drie handelingen dus. Rengalop verschilt niet zoveel van de gewone galop, al is het een viertaktgang. De gang is bijna hetzelfde als de gewone galop, alleen tilt het paard ieder been afzonderlijk op. Dat zijn dus vier handelingen.
Voor de ruiter heeft rengalop wel een duidelijk verschil: hij moet dan, in tegenstelling tot tijdens de galop, niet blijven zitten en meebewegen, maar licht voorover gebogen over de hals hangen waarbij het zadel niet aangeraakt wordt. Rengalop is vooral van toepassing op wedstrijden als paarden races, cross-country en de mensport. Kortom; als het echt snel moet gaan.
|
|